Vandaag na de kerkdienst ging ik samen met gemeentelid M. op weg naar haar werk in Utrecht in het Catharijnehuis, een dagopvang voor daklozen naast de St. Catharinakathedraal.
Stel je een niet zo’n grote ruimte voor waar 70-80 mensen aanwezig zijn die allemaal (niemand uitgezonderd) als een schoorsteen roken. Wadend door de rook baan je je een weg door de mensen heen naar je werkplek: de bar die het zenuwcentrum van de ruimte is. Hier kunnen daklozen schone sokken, schoon ondergoed, een handdoek of 30 minuten douchen regelen. Daarnaast zijn er drie soorten soep beschikbaar en koffie. Liters koffie.
Daklozen zijn er in alle soorten en maten. Goedgebekte ruimhartige mensen en notoire zeurkousen. Regelaars en afwachters. Woordvoerders en liefhebbers van stilte. Maar allemaal mensen. Mensen met hun eigen verhaal verpakt in een dikke laag nonchalance, want één ding is me al snel helder: zwakheid moet je op straat niet laten zien. Dat is je einde.
Een middag lang ben ik huiskamervrijwilliger, want zo heet dat. Ik schenk liters soep, hectoliters koffie en smeer ontelbare hoeveelheden boterhammen met boter, want die zijn gratis. Tussendoor voer ik gesprekken met de flamboyante bezoekers. Want vurig zijn ze die daklozen. Dat is een mooi contrast met de koude buiten.
De gesprekken zijn nogal divers. Van algemene gesprekken over wie ik ben en wat ik kom doen tot meer inhoudelijke gesprekken. Zoals het gesprek met J. een vrouw van mijn leeftijd aan wie ik vraag of ze met haar zoon hier is. “Nee, dat is mijn vriend” antwoord ze tot mijn verrassing en voor ik een verontschuldiging kan mompelen begint ze aan een lang verhaal over wie ze is en waar ze vandaan komt. Vijf jaar woont ze al op straat en alsof ze Michelin sterren voor nachtopvang uitdeelt schetst ze me de verschillen tussen de twee bekendste locaties voor nachtopvang. Grappig hoe ze dan toch ook weer in “klassen” denkt.
Ze weidt uit over haar miskraam een tijdje geleden en omdat ze niet verzekert is werd ze na de eerste controle weer naar buiten gestuurd. Als het erger ging bloeden moest ze maar weer terug komen. Ik heb moeite om mijn medelijden te onderdrukken. Ze is allang geen mooie vrouw meer maar haar prachtige ogen verraden een goed verstopte schoonheid.
In het Catharijnehuis kun je ook je vuile kleding inleveren voor een schoon stel. Een aantal mensen maakt er gebruik van. Samen met een moeder zoeken we naar een paar schoenen in maat 46 voor haar 21-jarige zoon die nog beneden zit. Helaas, vandaag geen maat 46 in de shop. Morgen beter.
Een gezinnetje wat kortgelden uit huis is gezet zondert zich wat af van de andere bezoekers. Ze vallen duidelijk uit de toon. Net als ik roken ze niet. Dat wil zeggen niet actief, want passief roken doen we hier allemaal. Ze drinken wat thee en praten met elkaar. De meisjes zijn nog geen 18 (de minimale leeftijd om gebruik te mogen maken van de dagopvang), dat weten we allemaal maar geen van de medewerkers haalt het in zijn hoofd om hen buiten te zetten. “Er zit al hulpverlening op” krijg ik te horen. Tot die tijd zitten ze hier.
Volgens M. zijn er maar weinig christenen onder de ruim 60 vrijwilligers en de 12 betaalde krachten. Zij is er één van en ze kent er nog ééntje, meer niet. Dat verbaast me wel. Waar is het lichaam van Christus in deze plaats? Ik bedoel: het aardse lichaam van Christus zou zeker op een plek als deze zijn geweest. Nu de Heer is opgevaren en Zijn Geest heeft gegeven aan mensen die vervolgens Zijn lichaam mogen vormen lijkt dit lichaam anno nu wel de grote afwezige. Gek is dat. Luister het lichaam dan nog wel naar het Hoofd? Of zit het lichaam in de kerk energie op te doen voor de komende werkweek?
Op de terugweg naar huis denk ik na over de vraag van de teamleider: “En, blijft het bij dit ene bezoek?”. Nee natuurlijk niet denk ik direct. Hier wil ik mijn handen uit de mouwen steken. Present zijn en luisteren. Maar het past helemaal niet in mijn schema. Ik heb het te druk met….de kerk….
Ik ga er de komende week eens goed over nadenken. Ga ik het lichaam van Jezus zijn voor deze mensen? Ook al moet ik bij thuiskomst direct onder de douche omdat elke vezel van mijn kleding doordrenkt is van de rook? Ben ik bereid om 25 cent aan te nemen uit de vervuilde handen van een mens die trek heeft in koffie?

4 Reacties
Waartoe ben je geroepen? Om alles inderdaad te dóen, of soms ook om anderen op te roepen om het te doen? Lichaam van Christus zijn we (gelukkig) met elkaar…
Goeie vraag. Voor mij geldt in ieder geval dat ik best in die wereld pas (dankzij 5 jaar ervaring in de bajes). Voor mij is zo’n plek waar ik gewoon de ander kan dienen. Brood smeren, in allerlei talen proberen uit te leggen welke soep er is, een keer niet de leiding te hebben maar gewoon flink de handen uit de mouwen te steken onder leiding van iemand anders.
Of ik het ga doen weet ik niet, het heeft wel mijn hart.
Stel je eens voor wat dat lichaam allemaal zou kunnen doen!
…In allerlei talen uit leggen welke soep er is? Is tongentaal dan niet veel praktischer?
Misschien een idee om 1x in de maand geen kerkdienst te houden maar om ” het lichaam van Christus ” in de wereld te zijn? Juan Carlos Ortiz beschrijft ongeveer jouw gevoelens (hij is ook voorganger) in zijn boek: ‘Leven met Jezus van dag tot dag’. Het is zo heerlijk om een boek te lezen waarin een ander precies verwoordt waar jij tegen aan loopt in het leven. Ik heb bij de opvang in Utrecht trouwens de andere kant eens meegemaakt. Ik was niet aanwezig aan de kant van vrijwilligers, maar, aan de kant daklozen. Ook ik werd bedient en mocht kiezen tussen een vegetarische of een vleesmaaltijd. Het heeft ongelooflijk veel indruk gemaakt, eigenlijk nog meer dan de ellende van de house-party’s. De afwezigheid van christenen viel me toen ook op. Veel meer dan er over nadenken heb ik sindsdien ook niet gedaan. Wordt het niet eens tijd om te beginnen, vraag ik me nu af……..